Jaloers

Een goede vriendin van mij is onlangs verhuisd met haar gezin naar de Binnenkant met uitzicht op de Montelbaanstoren. Als Amsterdammer heb ik het ongeluk gehad nooit in de binnenstad te mogen wonen. De eerste 12 jaar van mijn leven woonden wij in Overtoomse Veld, later in Oud Zuid en vervolgens in diverse huizen aan de randen van het centrum. Slechts 1 keer heb ik in Amsterdam Centrum gewoond en dat was op het KNSM Eiland, in de begindagen van de nieuwbouw op de Oostelijke Eilanden. Maar op een kwade dag zag ik dat een gemeentemeneer de bordjes weghaalde van de Surinamekade Centrum en toen bleken wij opeens op Surinamekade Zeeburg te wonen (bestaat Zeeburg eigenlijk nog?). Nu wij in het dorp zitten ontvang ik met gepaste jaloezie alle verhuisverhalen van vrienden en familie die het ene na het andere huis in Amsterdam scoren. Het verhaal van de vriendin over haar nieuwe huis maakte mij ook nieuwsgierig. Op 16-jarige leeftijd ben ik namelijk een zomer lang postbode geweest op o.a. Gelderse Kade, Kalkmarkt en Binnenkant, het was een prachtige zomer (volgens mij die van Gerard Cox), het IJ lag er nog redelijk maagdelijk bij, de PTT was nog gewoon gevestigd op plek waar nu o.a. het Conservatorium staat, in het Scheepvaarthuis was nog geen hotel, het opleidingsschip de Pollux lag rustig te kabbelen aan de xxxkade en de toeristen waren niet te vinden. In die zomer heb ik besloten dat dit deel van de binnenstad het mooiste was dat in de wereld voorradig was. Alles klopte in deze buurt, de bewoners, de breedte van de grachten, de bomen, de huizen en de opkomende zon. Voor mij hoeven die opgepompte grachtenpanden aan de Heren- of Keizersgracht niet zo, de diversiteit van de Oude Waal en Binnenkant trekt mij meer. De trap die leidde naar het bovenhuis van de vriendin beloofde al veel goeds. Het was een lekkere steile en krakende trap in een huis uit ca 1870, met enigszins afgebladderde gelige verf aan de muren. Bij binnenkomst was ik meteen verkocht, de niet zo grote voorkamer keek uit op de Montelbaanstoren, en naar goed Amsterdams gebruik lagen er drie kamers achter elkaar. De keuken en soort alkoofje waar de vriendin haar werkkamer heeft keken uit op de steeg aan de zijkant.

Aan de keukentafel gezeten, een keuken met echte ingebouwde kasten, niet met die Zweedse troep, zag ik in het huis tegenover een jongeman met een baard een maaltijd bereiden. Ik moest denken aan mijn oma die door een speling van het lot vanuit de Bloemgracht terechtkwam in een keurige buurt in Haarlem waar geen reet gebeurde. Wanneer ze bij ons in Amsterdam was ging ze altijd voor het raam zitten en snoof met genoegen de uitlaatgassen binnen van de drukke straat in Zuid waar wij woonden. Het huis van de vriendin en haar gezin vertoont allerlei onregelmatigheden, het loopt lekker schuin, hier en daar zijn barstjes in de muren en de vloeren lopen natuurlijk aflopend. De zolder is nog een echte zolder, het houten vakwerk is niet weg getimmerd achter gipswandjes. Kortom een huis met karakter, een huis om verliefd op te worden. Jaloers keek ik in de vroege avond, met een glas wijn in mijn hand, naar alle lichtjes van de huizen van de Binnenkant en Oude Waal, de Montelbaanstoren stond er sprookjesachtig bij, de woonarken voor de deur deinden zachtjes heen en weer. Mijn vriendin vond het alleen jammer dat dit geen huis geen buiten had in de vorm van een terrasje of balkon. Mijn gedachten gingen naar onze tuin in het dorp, doodstil, je ziet er niemand alleen wat verdwaalde vogels en soms een egel.

Nog geen reacties.

Geef een reactie